Wat ruist daar in het struikgewas....


Een wetenschappelijke studie naar het fenomeen Stropen van Imke Palmen (2017)

Stroperij, het illegaal tot zich nemen van in het wild levende dieren, is een fenomeen wat al decennialang bestaat, maar van vorm en inhoud blijft veranderen. Naar aanleiding van recente berichten over stroperij in ons land en de afwezigheid van diepgaande (criminologische) wetenschappelijke literatuur in Nederland over dit onderwerp, is er een onderzoek opgezet dat zich verdiept in stroperij in Nederland aan het begin van de 21e eeuw.

De onderzoeksvraag luidde ‘Welke verschijningsvormen kent stroperij in Nederland, wat zijn de motieven van de daders en hoe functioneert de handhaving?’ Drie typen stroperij werden opgenomen in het onderzoek: grofwildstroperij, illegale vogelvangst en roofvogelvervolging. Op basis van verkennende gesprekken met handhavers en een literatuurstudie van data uit binnen- en buitenland, zijn motieven, werkwijzen en handhaving in een conceptueel kader gebracht waarin stroperij in Nederland verklaard wordt. De methode die gebruikt werd was nauw aanverwant aan de grounded theory, waardoor de dataverzameling al direct aan de start van het onderzoek begon. Via micro-analyse van 19 interviews en 334 reacties op twee online vragenlijsten werden de verzamelde gegevens omgezet naar ingekaderde resultaten.

Uit het onderzoek blijkt dat er in Nederland aan het begin van de 21e eeuw vier motieven een rol kunnen spelen bij het plegen van stroperij: recreatie, traditie, provocatie en/of financieel gewin. De motivaties verschillen per type stroperij. Grofwildstroperij lijkt voornamelijk plaats te vinden vanuit recreatieve doeleinden, illegale vogelvangst vanwege het financieel gewin en roofvogelvervolging vanwege provocatie. De modus operandi van stropers zijn divers en zijn wederom afhankelijk van het type stroperij dat gepleegd wordt. Middelen die gebruikt worden zijn bijvoorbeeld vuurwapens, lange honden, kruisbogen, vangkooien en mistnetten. Dieren worden waarschijnlijk voornamelijk gestroopt op basis van hun beschikbaarheid, maar ook hun waarde en vervreemdbaarheid spelen een rol. Kennis van de omgeving lijkt van groot belang te zijn om succesvol te kunnen stropen.

De handhaving in Nederland lijkt in het algemeen niet goed genoeg te functioneren om stroperij effectief aan te kunnen pakken. Kennis over stroperij lijkt weg te sijpelen, het fenomeen heeft geen prioriteit binnen het beleid en samenwerkingen verlopen vaak stroef. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat stroperij een complex fenomeen is dat per locatie verschilt in verschijningsvorm en dus ook in aanpak. Het probleem dat stroperij heet is slechts een klein onderdeel van wildlife crime en moet niet groter worden gemaakt dan het is maar het mag ook zeker niet vergeten worden. Er is nog veel winst te boeken in de kennis over en de aanpak van stroperij in Nederland aan het begin van de 21e eeuw.


Naschrift WBE:

Het belang van de handhaving van het toezicht op en de bestrijding van de stroperij is van groot belang om de natuurwaarden en de flora & fauna te beschermen. In toenemende mate nemen medeburgers van verschillende culturele achtergrond en waarden deel in de Nederlandse maatschappij. Waar in andere regio's en landen stroperij bij armoede het een "normale keuze" is om het menu aan te vullen met gestroopt natuurvlees en een onderdeel van het dagelijkse leven (Afrika, Oost-Europa, etc.), zal bij slechte economische omstandigheden voor deze groepen en het ontbreken van toereikend toezicht en handhaving ook in Nederland het risico op stroperij toe kunnen nemen.

Daarnaast is het van belang, dat de handhavers over voldoende kennis en kunde blijven beschikken, om het juiste onderscheid te kunnen blijven maken tussen legale faunabeheerders (jagers), die binnen de grenzen van de regelgeving handelen (w.o. faunabeheerplannen) en de illegaal optredende (gelegenheids-)stropers. Het opheffen van de veldpolitie bij de vorming van de landelijke politieorganisatie en de daarbij optredende verschuiving van de focus van de politie naar andere vormen van (zware) criminaliteit alsmede de taakverschuiving naar handhavers in het dienst van particuliere organisaties, kan het vereiste kennisniveau doen afnemen door onvoldoende middelen. Kennis die veelal alleen goed is op te bouwen via ruime praktijkervaring in het veld. Extra aandacht hiervoor bij de verdeling van financiële middelen binnen de terrein-beherende organisaties is van grote invloed hierop. De inzet van de bij de WBE's bij de ontwikkeling van kennis alsmede de samenwerking met de leden van de WBE's is een voor de hand liggende mogelijkheid. Per slot van rekening fungeren de faunabeheerders bij teruglopende capaciteit in de handhaving "de ogen en oren" in het veld.


Met dank aan: Imke Palmen voor het uitvoeren van deze studie